Tabouleh

Ze staat peterselie te hakken alsof haar leven ervan afhangt. Bergen groene snippers gaan in de slabak. Het is haar lunch. Ze denkt dat ze tabouleh heeft gemaakt; een traditioneel Jordaanse salade van bulgar, tomaat, ui en peterselie met een dressing van olijfolie en citroen. Maar de bulgar is nergens te bekennen. Ook de olijfolie heeft ze niet aangeraakt. Je wordt daar dik van, zegt ze.

Ze is niet onze eerste gast die er ongezond dun uitziet. De afgelopen week ontvingen we al een anorectische soloreizigster en een wandelende barbie die in haar bikini in de tuin ging zitten. Maar dit is nieuw. Haar huid is asgrauw, haar armen zijn bedekt met donshaartjes en haar vingers zijn akelig dun. Ze praat de hele dag alleen maar over eten en hoe ongezond alles wel niet is. Wat is dat toch? Alle drie zijn ze eind twintig, begin dertig. Ze hebben gestudeerd en hebben een goede baan. Twee van de drie zijn hier op vakantie met hun partner dus onzekerheid door het eeuwige single-zijn kan het ook niet zijn. En wat me nog het meest verbaast: allemaal zijn ze opgeleid binnen de gezondheidszorg. Hoe kan je jezelf dan wijsmaken dat het gezond is om alleen maar groente en fruit te eten? Dat suiker, koolhydraten en zuivelproducten als gif zijn voor je lijf? Het komt er bij mij niet in.

Het blijft niet bij de tabouleh zonder bulgar en olie. Ze blijft steevast elke dag tomaten en komkommer eten. Of ze staat nonchalant op een winterwortel te kauwen. Maar wel nadat ze, samen met haar vriend, zo’n 10 kilometer gerend heeft door de wijk. Haar vriend doet vrolijk met haar mee. Hij eet sla, tabouleh en sla en houdt een heel betoog over de suikergehalte in het blikje bitter lemon dat in mijn koelkast staat. ‘s Avonds vraagt hij waar ze lekker uit eten kunnen. “Zolang ze maar tabouleh op de kaart hebben staan, dan is het goed.”

Leven in Amman: de vluchteling met de iPhone

Je ziet ze hier overal: vluchtelingen. Ze leven in armoedige omstandigheden onder de volle zon in witte UNHCR-tenten. Die staan in lange rijen opgesteld in de rode, stoffige woestijn. Een kindje met vies haar en vliegen rond de mond speelt met een stukje plastic terwijl haar moeder, volledig bedekt door haar niqaab, met een jerrycan zeult. Het is de Syrische vluchteling in Jordanië die je steeds weer te zien krijgt. Maar waar is mijn buurvrouw met het perfect gekapte haar, de strak gelakte nepnagels en haar iPhone 5? Die is in Nederland.

Het zijn de allerarmsten, de mensen met de laagste opleiding en ook nog zonder een cent te makken die een nieuw thuis vinden in de vluchtelingenkampen. Ze komen uit landelijke gebieden in Syrië en Irak waar ze een eenvoudig leven leidden. Een leven als boer, chauffeur of marktkoopman. Toen de eerste bommen vielen vluchtten zij massaal naar het noorden van Jordanië waar zij een plek vonden in het kleine dorpje Zatari. Op haar hoogtepunt herbergde het vluchtelingenkamp 120.000 Syriërs, nu zijn dat er zo’n 80.000. Waar de rest gebleven is? Zij besloten het kamp te verlaten en hun geluk elders te beproeven, bijvoorbeeld in de steden of in een ander land. Want weet wel: wie als vluchteling geregistreerd staat mag niet werken en geen training volgen. En zomaar even het kamp verlaten mag al helemaal niet. Dus wie wat anders wil die gaat er vandoor.

Dan mijn buurvrouw. Zij vluchtte vier jaar geleden toen een bom haar huis vernielde. Alle bezittingen werden in de auto gepropt en met man en twee kleine kinderen streek ze neer in Jordanië. Eerst bij kennissen, later in een gehuurd appartement. Omdat er brood op de plank moest komen vertrok manlief naar Egypte om daar als dameskapper geld te verdienen. Hij boerde er goed bij: wekelijks werd er geld overgemaakt en hij kon zelfs een iPhone 5 voor zijn vrouw en tablets voor zijn zoons kopen. Die overigens wel in een appartement zonder verwarming en keuken moesten wonen. En waar de muren en het plafond van ellende naar beneden kwamen. Maar ze hadden wel de tablets, de tv en de iPhone.

Mijn buurvrouw met haar twee zoons voor de flatscreen.

Als vader na jaren van werk terug wil keren naar Jordanië wordt hij geweigerd. Moeder en zonen mogen op hun beurt Egypte niet in. Ook andere Arabische landen weigeren het gezin een visum. Vader ziet daarom geen andere uitweg en koopt voor een paar duizend euro een plekje op een boot die hem naar Italië brengt. Vanuit daar weet hij Nederland te bereiken waar hij asiel aanvraagt. Hij krijgt een verblijfsvergunning en ook zijn vrouw en kinderen mogen naar Nederland komen. Dan doet zich een probleem voor: wie gaat die reis betalen?

Tijdens een van onze lessen Nederlands zoeken mijn buurvrouw en ik naar vliegtickets. Ze barst in huilen uit als ze de prijzen ziet. “Is dat voor enkel?”, vraagt ze vertwijfeld. Ik krijg een brok in mijn keel. Na al die jaren kan ze dan eindelijk haar man weer zien maar nu is er geen geld? Tegelijkertijd zie ik haar net geverfde haren en haar prachtig rood gelakte nepnagels. Terwijl ik al anderhalf jaar niet meer bij de kapper ben geweest. Te duur. En met nepnagels kan ik niet typen, dus die zullen er nooit komen. De oorlog in mij barst in alle hevigheid los: is dit wel een vluchteling en moet ik haar wel helpen? Ik denk aan het gezin van Umm Mohammed dat met acht kinderen in de hitte van Zatari woont. Zij hadden ooit twee weken geen eten. En geen warme kleren in de winter. Laat staan geld voor de kapper en nepnagels.

Ik bijt op mijn lip en slik mijn tranen weg. Deze gedachtes mag ik toch helemaal niet hebben? Want vluchtelingen zijn zielig, arm en hulpeloos. Die mag je niet veroordelen. Ik probeer aan haar man te denken die 21 dagen zonder eten op een gammel bootje zat. Ik kijk naar het jongste kind dat leeft op komkommer en brood. Het kind dat door geldgebrek niet naar school kon waarna ik het schoolgeld inzamelde. Maar die nagels dan? En die laptop?

Haar tranen vloeien en ze gooit haar armen hopeloos de lucht in. “Hoe, hoe?”, vraagt ze mij weer. Ik weet het ook even niet. Geld inzamelen maar weer? Vader weet 250 euro los te peuteren uit het noodfonds van Vluchtelingenwerk. De hele inboedel wordt verkocht. Het is bij lange na niet genoeg. En dus spreek ik mijn netwerk weer aan en zamelen we samen geld in voor de tickets. Binnen no time is er een bedrag van 1300 euro bijeen en kan er geboekt worden.

We zijn nu een paar maanden verder. Het gezin woont op de Bijbelbelt in een netjes rijtjeshuis naast Corry en Gerard. Corry snapt soms ook niet helemaal wat het gezin met haar geld doet. “Dat zwembad kostte zeker 50 euro,” wijzend op een enorm opblaasgeval van de Action die de hele achtertuin vult. “En daar komen dan nog allemaal van die reinigingstabletten bij.” Niet veel later vraagt vader mij om even zijn bankrekening te checken. Hij wacht al weken op de uitkering voor zijn vrouw en toeslag voor zijn kinderen. Ik zie een saldo van 18.43 euro. “Wanneer komt er weer geld?”, vraag ik. “Over twee week.”

IMG_1584

Mohammed (10): “Ik mis mijn vader, makdous (red. gevulde aubergine) en een korte broek.”

Leven in Amman: “Papa is dood”

Ik had tot twee jaar terug nog nooit een vluchtelingenkamp gezien. Natuurlijk kende ik de beelden van de televisie. Van die lange rijen witte tenten met een UNHCR-logo, modderige paden en uitgehongerde kinderen. Lege ogen die je door de televisie aanstaren. Kinderen met opgezwollen buikjes en monden vol vliegen. Vluchtelingenkamp Zatari in het noorden van Jordanië leek in niets op het beeld dat ik had. Ik schaamde me daar best een beetje voor. Ik zou als journalist toch wel beter moeten weten? Tenten en porto cabins stonden netjes op een rij. Er was elektriciteit, een levendige markt, een school. Met mijn tolk reed ik over de zandweg richting de veilige compound waar ik de burgmeester van het kamp ontmoette. Een stoere Oostenrijker die namens de UNHCR de stad, want zo noemde hij Zatari, runde.

Op nog geen 100 meter van de compound zag ik een jongen van een jaar of 15 met een kruiwagen vol huisraad. Hij vertelde ons dat hij de buren hielp met verhuizen. Zij kregen eindelijk een porto cabin en konden dus de bloedhete tent verlaten. De jongen nam ons mee naar zijn eigen tent waar ik zijn moeder en jongste zusje Fatma ontmoette. We hadden een emotioneel gesprek. We spraken over zijn leven in Syrië, over de uitzichtloze situatie en over zijn vader die nog thuis was. Het was allemaal te veel. Het was te veel voor zijn moeder die snikkend in een hoek zat en haar gezicht depte met een stuk van haar jurk. Het was te veel voor mijn tolk en voor mij. Bijtend op onze lippen keken we elkaar aan, tranen in onze ogen. Het was al helemaal te veel voor Mohammed die zwaar depressief vertelde dat zijn leven voorbij was. Geen school, geen toekomst en geen vader. Hij zag het allemaal niet meer zitten.

In de jaren na onze eerste kennismaking bleef ik Mohammed en zijn moeder onaangekondigd bezoeken. Ik bracht hen foto’s die ik maakte en liet de krant zien met daarin Mohammed’s verhaal. Het fleurde hem op. Ik praatte hem weer de schoolbanken in, bracht een televisie en zamelde winterkleding en speelgoed in. Nog iets later huurde ik busjes om het gezin met acht kinderen een dagje uit te geven. Voor het eerst in anderhalf jaar zagen ze iets anders dan de woestijn van Zatari. Gillend zat ik in de ballenbak met Dawud, Mashour, Zeina en Fatma. Ik trapte een balletje in mijn achtertuin met Mohammed en Ahmed. Ook bezocht ik vele neurologen met oudste dochter Waad die door een zenuwafwijking aan half hangend gezicht heeft. We aten kilo’s gefrituurde kip, telden de bomen langs de weg, zochten dennenappels in het bos en roken aan alle bloemen die we konden vinden. Umm Mohammed, de moeder van het gezin, noemde mij haar zus. We belden elkaar geregeld.

Van de week ging de telefoon. Mijn vriend nam op zonder dat ik er erg in had. Ik zat namelijk aan de kip met rijst en was in gesprek met andere tafelgasten. Dan onderbreekt mijn vriend het gesprek. “Abu Mohammed is dood”, zegt hij. Ik kijk hem verward aan. Wat? Wie? Welke vader van welke Mohammed? In een land waar bijna iedereen Mohammed heet zijn er nu eenmaal ook veel vaders van Mohammed. “Het is Dawud. Op Facebook staat een foto van zijn vader. Hij is dood.”

Ik verstijf. Tranen rollen over mijn wangen en vallen in mijn rijst. De man die ons gezin al drie jaar op de been hield is niet meer. Omgekomen bij een bombardement op de stad Daraa net over de grens met Jordanië. Al die tijd probeerde hij de grens over te steken maar de Jordaanse grenswachten lieten hem niet toe. Zoals zo veel Syriërs zat hij gevangen in de oorlog. Maar dit is geen gewone Syriër, dit is geen anonieme dode die het nieuws niet haalt. Dit is de vader van Mohammed. En die van Zeina en Fatma. De twee meisjes die hem niet meer zullen herinneren. Het is de man van Umm Mohammed, die nu voor altijd als weduwe door het leven moet. Gevangen in een kamp zonder werk, zonder familie, zonder toekomst.

Ik heb nooit willen denken aan dit scenario. De gedachte aan Abu Mohammed gaf ons hoop. Hij belde altijd als we met Waad in het ziekenhuis waren. Dan bedankte hij me wel honderd keer voor mijn hulp. Ondanks dat ik hem nooit ontmoet heb was hij er altijd bij. Hij kwam voorbij in hun verhalen en hun toekomstdromen. Altijd was er zijn gehavende pasfotootje dat ze in hun hand klemden en kusten. Ik hield het fotootje naast hun gezichten en samen bepaalden we dan wie er het meest op hem leek.

Nu is er alleen nog die ene foto op Facebook.

Abu Mohammed

Abu Mohammed

 

 

Het dagelijks leven in een oorlogsgebied

Jordanië is een hartstikke gevaarlijk land om te bezoeken, laat staan om in te wonen. Mijnen langs de weg, bermbommen en mannen met lange baarden en kalasnikovs die “Allah is groot” roepen. Om nog maar niet te spreken van de strenge Islamitische wetten die het leven van vrouwen tot een hel maken. Een land dat grenst aan Irak, Syrië, Israel, de Palestijnse gebieden en Saoedi-Arabië. Geen land om als journalist een rustig bestaan op te bouwen. Toch?

“Is dat niet gevaarlijk, reizen door Jordanië?”, vroeg een collega toen ik tijdens mijn afscheid vertelde over mijn geplande trip door het Midden-Oosten. “Nee hoor,” zei ik ietwat verbaasd. “Het is daar geen oorlog of zo.” Mijn lieve, gewaardeerde collega’s. Mensen die dagelijks het nieuws scannen, interpreteren en duiden. Zij die moeten berichten over de vele conflicten in de Arabische wereld. Ze keken me aan alsof ik rechtstreeks in de handen van de Islamitische Staat ging lopen. Ik zou verschijnen voor een groot zwart doek omgeven door, ja daar zijn ze weer, mannen met lange zwarte baarden en kalasnikovs. Ik zag de verbazing en vertwijfeling op hun gezichten. Een 25-jarige meid met slechts een paar jaar journalistieke ervaring gaat alleen naar een vluchtelingenkamp aan de grens met Syrië? Ik stond er wat vertwijfeld bij, zeker van mijn zaak maar ook ontdaan door zoveel onwetendheid, juist van hen. Al was er ook een collega die het vooral spannend leek te vinden: “Gaaf man wat je gaat doen!”

In 2010, het jaar vóór de opstanden in vele Arabische landen, bezochten ruim acht miljoen mensen Jordanië. De uit steen gehakte stad Petra trok op zijn hoogtepunt ruim één miljoen mensen per jaar. Ook de Dode Zee, waar je drijvend een krantje kan lezen, was een toeristische trekpleister. Deze plaatsen zijn nu zowat verlaten. Hotels zijn gesloten, terrassen blijven leeg en gidsen slijten hun dagen lurkend aan de shishapijp, het enige vertier dat er nog is. Menig Arabier komt nog wel op zijn vrije dagen naar Jordanië aangezien een vakantie in Irak en Syrië, the places to be vóór de oorlog, niet echt rustgevend is.

Dat Jordanië een land is om onbezorgd te bezoeken weet bijna niemand. Dit Koninkrijk is als Zwitserland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bomvol vluchtelingen, met een ietwat haperende economie maar zonder gewapende conflicten. Geen onthoofdingen, ontvoeringen of strenge sharia-wetgeving. En ook die mijnen die ik noemde, die zijn er niet. Bermbommen evenmin. Mannen met lange baarden zie je wel, net zoals jongens met laagzittende broeken en baseball petjes. Op hun skate board of BMX sjezen ze door onze wijk. Ook hangen ze op bankjes in het park terwijl ze naar voorbijlopende meisjes sissen. Die vervolgens giechelend wegrennen.

In die wijk, die met de skatende jongens en de mannen met lange baarden, heb ik een Guest House. Dat is een soort uit de hand gelopen Bed and Breakfast voor freelance journalisten. Dagelijks word ik geconfronteerd met de angst die reizigers hebben. “Is het wel veilig om na zonsondergang de straat op te gaan?” “Is er een avondklok?” En “kunnen we wel naar het noorden reizen want dan zitten we toch bijna in Syrië?”. Geduldig leg ik dan uit dat ze zich nergens zorgen over hoeven te maken. Vaak gebruik ik voorbeelden van dichter bij huis. “Toen er zomaar mensen in Kopenhagen werden neergeknald zei je toch ook niet ‘heel Denemarken is gevaarlijk’?” Daaraan toevoegend dat er in Jordanië al tien jaar geen terroristische aanslag meer is gepleegd. De vergelijking is bijna altijd succesvol. Al laat niet iedereen zich geruststellen. “Mijn man heeft in de krant gelezen dat IS de koning omver wil werpen. Wij zien daarom af van onze vakantie naar Jordanië. In plaats daarvan gaan wij naar Israel.” Ok.

Ik begrijp het allemaal wel. Israel lijkt, ondanks de dreigingen daar, misschien ook wel veiliger. De cultuur ligt dichterbij de onze, de mensen spreken Engels en de enge moslims zitten veilig achter een hoge muur. Snappen doe ik het niet. Want wie écht geïnteresseerd is in Jordanië leest verder dan de reisinformatie op de website van Buitenlandse Zaken. Die zoekt contact met andere reizigers en speurt fora af naar recente ervaringen en berichten. Maar wat als je bijna niets over een land kunt vinden? Ondanks de goede bedoelingen van het Jordan Tourism Board die prachtige beelden maakt met drones, van een kroonprins die stoer door rivieren waadt en uit vliegtuigen springt, komt de boodschap niet echt over. Terwijl buur Israel steevast enthousiaste toeristen op het strand interviewt als er weer eens een raket vanuit Gaza wordt afgevuurd. In steenkolen Engels vertellen Duitsers, Italianen en soms een Nederlander ons hoe geweldig hun vakantie wel niet is. Dat ze, ondanks de vele berichten in de media, niets merken van het geweld op nog geen 60 kilometer van hen vandaan. Maar dat het op 100 kilometer vanaf de grens met Syrië en ruim 300 kilometer verwijderd van de woestijn van Irak veiliger is dan in Amsterdam West? Dat weet u nu ook.

 

 

 

 

 

 

 

Wonen in Amman: mannen zijn er om te negeren

Gesis, gefluister, een “fuck your sister”, een ordinaire hand op je bil. Of minuten lang gevolgd worden door een engerd. Jongens en mannen in Jordanië nemen het niet zo nauw met de omgangsnormen. Elke westerse vrouw mag zich verheugen op continue aandacht, ook als ze daar even helemaal geen zin in heeft. Er wordt dan ook flink geklaagd door buitenlandse studentes, ontwikkelingswerksters en toeristes over de aanrandingen en seksuele toespelingen. Terecht? Nou nee. Want als je in je strakke yogabroek en hemdje door de straten van Amman gaat huppelen dan vraag je er om.

Ik weet het, dit gaat me niet populair maken. Maar negentig procent van de intimidatie kan gemakkelijk voorkomen worden als de buitenlandse meiden zich aan een aantal basisregels zouden houden. Als eerste hoor je als vrouw een man die niet tot jouw familie behoort niet zomaar aan te kijken. Waarom zou je ook als je gewoon over straat loopt? Je zegt er namelijk mee dat je geïnteresseerd in hem bent, anders keek je hem niet aan. Toch? Voor hem dus een uitnodiging voor een gesprek: “Welcome to Jordan, welcome to Jordan.” En nu niet boos worden dat er ‘zomaar een vreemde man tegen je begon te praten’. Je vroeg er om.

Wie wijs is houdt nu haar mond en wendt haar hoofd af. Foutje, kan gebeuren! Doorlopen is het devies. Maar dat doen bijdehante op hun tenen getrapte meiden niet. Die zijn nu namelijk boos omdat ze ‘zomaar’ zijn aangesproken door een vreemde. Dat laten ze niet zomaar gebeuren! Dus ontstaat er een gesprek. “Can you please leave alone?” zegt ze, waarmee ze wéér een verkeerd signaal afgeeft. Namelijk dat van: ik wil wel met jou praten. “Where do you work?”, probeert hij. En weer een kans om nu net te doen of je doof bent en met strakke pas je weg te vervolgen. Maar nee. “None of your business”, zegt ze. Oeps, wéér verkeerd. “Where do you live?”, probeert hij nog eens. “Please just go away.” “Yes I will.”

Het blijft niet alleen bij aankijken en babbeltjes op straat. Geregeld vang ik in mijn Guest House jonge vrouwen op die het een stukje bonter hebben gemaakt. Die in de oude stad Petra een Johnny Depp look-alike tegen het lijf zijn gelopen en hem zijn gevolgd naar zijn grot. Om daar vervolgens twee maanden te verblijven zonder enige luxe of sanitair. Maar ook dáár had Johnny een oplossing voor: zijn eigen warmwaterbron! Waar zijn nieuwe vriendin, in haar ondergoed, onder toeziend oog van al zijn broers en neven een dagelijks bad in nam. Na twee maanden bleek Johnny alleen geïnteresseerd in het haar geld, liefde was het niet. En dus vertrek ze weer. Volledig gedesoriënteerd wist ze ons Guest House terug te vinden waar ze zeker een week nodig had om bij te komen. Wat leren de mannen in Petra hier van? Je meet je een stoere look aan, gooit je haar naar achter en de buitenlandse meisjes volgen je als gewillig vee.

Is het dan allemaal de schuld van die naïeve buitenlandse meiden? Natuurlijk niet. Mannen horen hun ogen af te wenden als ze vrouwelijk schoon zien. En ze horen al helemaal niet zomaar een gesprek aan te knopen met een vreemde dame. Een Jordaanse dame. Want voor buitenlanders gelden hier andere normen en waarden. En dat hebben wij dan wel weer helemaal aan onszelf te danken. Want door met korte broeken, zomerse hemdjes, doorschijnende jurkjes en uitpuilende BH’s door het meest conservatieve deel van Amman te paraderen heeft de lokale bevolking elk respect voor ons verloren. Wij lopen er namelijk bij als hoeren. Een hoer die uitgekotst is door haar familie, die een schande is voor haar vader. En daar mag je best “fuck you” tegen zeggen. Dat is toch haar werk?

Natuurlijk is het niet fijn om bij 40 graden Celsius goed bedekt over straat te gaan. Helemaal als je vindt dat al die kleren jou als vrouw onderdrukken. Ook ben je waarschijnlijk opgevoed in een land waar het een vorm van respect is om iets terug te zeggen als iemand, en dus ook een vreemde man, je groet op straat. Het is ook helemaal niet erg om een keer per ongeluk ‘salaam’ terug te zeggen of even je net-iets-te-korte-rok naar beneden te trekken. Als je het maar probeert. Maar ga niet klagen als jouw westerse manier van kleden en omgang op een andere manier beantwoord wordt dan jij gewend bent. Je bent op bezoek. En dan pas je je aan. Toch?

 

 

Leven in Amman: Dikke pret in de sportschool

“Nog 68 caloriën te gaan. Ik. Kan. Het. Nog. Even. Volhouden”, zeg ik tegen mezelf. Terwijl het zweet van mijn hoofd druipt word ik vriendelijk begroet door een vrouw van middelbare leeftijd. “Yalla, yalla!”, roept ze me toe terwijl ik als een gek te keer ga op de enige cross trainer in de hele sportschool. Haar vriendin kijkt me lachend aan. Ik pers er een glimlach uit en focus me weer op het beeldschermpje. “Ik. Ben. Er. Bijna”, prevel ik op het ritme van mijn bewegingen. Word ik hier nou uitgelachen door deze mevrouw? Want zweten op machines, dat kennen ze hier niet. Liever zitten de dames te kletsen in de hot tub. Of erger nog, ze praten bij in de rookruimte terwijl ze een portie friet naar binnen werken. Geen wonder dat ze zo dik zijn.

Niet alleen in de sportschool, overal waar ik kom zie ik dikke vrouwen. Grote, ronde gestaltes gehuld in lange zwarte jurken. Het verbergt een hoop, maar niet alles. Soms steken er dikke harige benen onderuit, gestoken in een vale pyjamabroek. Hippere dames dragen strakke spijkerbroeken met daarop een losse blouse. Zwembandjes hangen over hun broekriem. Het is geen gezicht.

Bijna zestig procent van de meisjes en vrouwen in Jordanië is te dik. De helft daarvan heeft niet alleen overgewicht maar is zelfs obees. In een studie van de universiteit van Petra worden meerdere oorzaken genoemd. Te weinig slaap, te veel eten, te veel televisie kijken en uiteraard ook te weinig bewegen. Pak die epidemie van overgewicht maar eens aan. Want hoe kan je als vrouw in een land vol bergen en heuvels, met snikhete dagen met temperaturen van boven de 35 graden aan genoeg lichaamsbeweging komen? Wie heeft geld en ruimte voor een cross trainer in de woonkamer? Daarnaast blijven vrouwen veel binnen. Buiten is het simpelweg te warm, helemaal als je gekleed gaat in een lang, zwart gewaad plus hoofddoek. Ook ik, lange, sportieve Hollandse dame vecht tegen de kilo’s. Fietste ik in Nederland elke dag de stad door, hier loop ik maximaal 400 meter op een dag. En dan al dat eten… Wit brood, vet vlees, bonen en hummus. Het zijn gevaarlijk lekkere dikmakers.

De sportschool stroomt ondertussen vol met vrouwen. Gewaad na gewaad loopt langs me richting de balie. Een voor een gooien ze hun gezichtsluier omhoog en begroeten elkaar. Ik zie jong, oud, rond en minder rond tevoorschijn komen. Lange jurken gaan uit, te korte broekjes gaan aan. In het kleine zaaltje wordt krakerige dansmuziek gestart ter begeleiding van de groepsles. Als de instructrice begint te bewegen volgen de dames, nét iets te laat. Eén vrouw springt er uit. Bij elke beweging die ze maakt vliegen haar borsten, maat H++, op en neer. Ze gaan van haar buik tot in haar nek en met een klap weer terug. Ik kan mijn ogen er maar niet vanaf houden. Een sport-BH. Dit schreeuwt om een sport-BH. Een andere vrouw met een enorme buik kijkt toe vanaf het dijbeenspier-train-apparaat. Ze praat druk in haar smartfoon terwijl ze haar benen nonchalant van buiten naar binnen beweegt. Het apparaat geeft zo weinig weerstand dat de beugels op en neer klappen. Af en toe grijpt ze naar haar flesje water. Zweten doet ze niet.

Ik geef het op. De keiharde muziek uit het zaaltje maakt me doof, de hitte bedwelmt me. Het meisje achter de balie kijkt me vreemd aan als ik het zweet van mijn hoofd veeg en mijn hand daarna weer op de hendel van de cross trainer plaats. Ok. Dat is ook best ranzig. Of heeft ze misschien nog nooit een zwetende vrouw gezien?

De dag na mijn sportschoolbezoek kijk ik naar mijn bovenarmen. Trots span ik mijn spieren aan en knijp in mijn arm. Ik kijk de eettafel rond en zeg in het Arabisch tegen ons bezoek dat ik gisteren hard gesport heb. Hij kijkt me verbaasd aan. “Heb je de machines gebruikt?” Hij beweegt zijn armen demonstratief heen en weer. Even denk ik dat ik hem verkeerd verstaan heb. “Machines zijn voor mannen, niet voor vrouwen”, zegt hij. De beelden van gisteren flitsen in sneltreinvaart voorbij. Eenzame machines, lege loopbanden, een volle hut tub. “Wat moet ik anders doen in de sportschool?”, vraag ik onzeker, bang dat ik als westerling weer iets heel doms zeg. “In de hut tub zitten natuurlijk!” en hij barst in lachen uit.

 

Mutaz’ vader vluchtte naar Nederland

Middellandse Zee oversteken op een gammel bootje. Elke dag proberen honderden vluchtelingen op die manier Europa te bereiken. Ze vluchten voor oorlog in hun eigen land en zijn zo wanhopig dat ze de gevaarlijke tocht over de zee maken. De boten zijn vaak oud en de zee is woest. Dit jaar kwamen al ruim 200 vluchtelingen om het leven tijdens de oversteek. Ook de vader van Mutaz (10) betaalde veel geld voor een plekje op een boot die hem naar Italië bracht. Het was geen gemakkelijke reis voor Mutaz’ vader. “Hij is twintig dagen onderweg geweest. Er was geen eten en het was heel erg koud’, vertelt Mutaz.

Bootvluchtelingen

Mutaz komt uit Syrië, een land in het Midden-Oosten. In Syrië is het al bijna vier jaar oorlog. Gewapende groepen en het leger van Syrië vechten daar tegen elkaar. Drie jaar geleden vluchtte Mutaz met zijn broertje en ouders naar buurland Jordanië waar ze sindsdien in de hoofdstad Amman wonen. Maar zonder vader. Hij werkte in Egypte maar toen het daar ook slechter ging heeft hij de gevaarlijke tocht over de Middellandse Zee gemaakt.

Nederland

Mutaz’ vader woont nu in een asielzoekerscentrum in Nederland. Binnenkort krijgt hij een huis in het dorp Heerde in Gelderland. Ook Mutaz, zijn broertje en zijn moeder komen dan naar Nederland, met het vliegtuig. Ze mogen voor altijd in ons land blijven wonen. Mutaz vindt dat best wel spannend. “Ik weet eigenlijk niets van Nederland. Mijn moeder heeft verteld dat ik wel vier talen op school ga leren en dat er heel veel bloemen zijn. Ook is het land helemaal plat en er is vaak sneeuw.” Waar in Nederland hij gaat wonen maakt hem niets uit zolang hij maar weer bij zijn vader kan zijn. “Ik mis hem heel erg. De laatste keer dat ik hem zag was op het vliegveld in Amman. We mochten hem niet aanraken en alleen maar praten. Na tien minuten moest mijn vader weer weg. Ik heb daarna de hele dag en nacht gehuild.”